Diensten
Universitair Laboratorium Brussel (LHUB)
Ontdek de activiteiten van het Universitair Laboratorium Brussel op hun website.
Laboratoire Hospitalier Universitaire de Bruxelles
Gezondheidsproblemen
Epileptologie bij volwassenen
De functionele medische eenheid voor epileptologie bij volwassenen biedt een multidisciplinaire aanpak voor volwassen patiënten met epilepsie van elk type en elke ernst.
Epileptologie bij volwassenen
Gezondheidsproblemen
Neuromusculair
Neuromusculaire aandoeningen vertegenwoordigen een aanzienlijk deel van de verworven of genetische neurologische aandoeningen. Ze omvatten alle aandoeningen van het perifere zenuwstelsel.Anatomisch gezien omvatten ze aandoeningen van de perifere zenuwen in de brede zin (motorisch neuron, spinale ganglion, myelineschede, kleine perifere zenuwvezels, sensibele of motorische zenuwvezels, autonoom zenuwstelsel, …), aandoeningen van de neuromusculaire overgang (myasthenie, Lambert-Eaton-syndroom) en spierziekten (myopathieën). Deze aandoeningen, die meestal zeldzaam zijn, worden doorgaans gekenmerkt door een chronisch verloop. Professionele en psychosociale gevolgenNeuromusculaire aandoeningen leiden bij de meeste patiënten regelmatig tot invaliditeit, die aanzienlijke gevolgen kan hebben op professioneel en psychosociaal vlak. Ze kunnen gepaard gaan met een acuut, subacuut of progressief levensbedreigend risico, voornamelijk op respiratoir en cardiaal vlak. Regelmatig is er behoefte aan zorg in de laatste levensfase, met alle ethische problemen die zich tijdens deze moeilijke momenten stellen. De opvolging vereist in elke fase van de aandoening specifieke deskundigheid, ook tijdens de diagnostische fase. De noodzaak om de begeleiding van patiënten met neuromusculaire aandoeningen te centraliseren, staat niet langer ter discussie. Dit wordt in talrijke Europese landen toegepast. Daartoe werden Neuromusculaire Referentiecentra (NRMC) opgericht. Uitgebreide multidisciplinaire aanpakHet Neuromusculair Referentiecentrum (NRMC) brengt een team van medische en paramedische deskundigen op het gebied van neuromusculaire aandoeningen samen. Het heeft als doel multidisciplinaire raadplegingen te organiseren in overleg met de behandelende artsen en paramedici. Voor talrijke chronische aandoeningen verbetert de centralisatie van de zorg in een gespecialiseerd centrum de prognose op het vlak van morbiditeit en mortaliteit. Het behoud van de zelfstandigheid en het voorkomen van complicaties behoren tot de doelstellingen. Deze twee factoren hebben een impact op de directe en indirecte kosten van de aandoening. Het samenbrengen binnen één entiteit van alle deskundigheid die nodig is voor de diagnostische en therapeutische behandeling van patiënten met zeldzame, chronische en progressieve aandoeningen is dan ook een rationele keuze. De patiënten worden opgevolgd door een gespecialiseerd team dat specifiek voor hun aandoening is samengesteld. De behandeling steunt op een uitgebreide multidisciplinaire aanpak, met medische en paramedische deskundigen voor volwassenen en kinderen, in zeer uiteenlopende domeinen zoals neurologie, genetica, functionele revalidatie, anatomopathologie, cardiologie, pneumologie, kinesitherapie, ergotherapie, de behandeling van neuropathische pijn, de behandeling van auto-immuunaandoeningen met immunomodulatie en chirurgische behandelingen, zoals een thymectomie in bepaalde gevallen van myasthenie en scoliosechirurgie bij myopathieën …In het Erasmusziekenhuis is dr. Gauthier Remiche de medisch directeur van het Neuromusculair Referentiecentrum (NRMC).
Neuromusculair
Gezondheidsproblemen
Neurovasculair
Eén persoon op zes wereldwijd zal een Cerebrovasculair Accident - CVA krijgen en in België krijgen elke dag 52 mensen een CVA. Een CVA is de belangrijkste oorzaak van invaliditeit in de westerse landen, met ernstige beperkingen zoals verlamming aan één kant van het lichaam, spraak-, gezichts- en loopstoornissen enzovoort. Om de gevolgen te beperken, moet men zich zo snel mogelijk, van zodra de symptomen optreden, naar de spoedgevallen begeven, omdat de behandelingen alleen tijdens de eerste uren doeltreffend zijn.
Neurovasculair
Gezondheidsproblemen
Hypoparathyreoïdie
Voorstelling van de dienst De Kliniek voor Endocrinologie bij volwassenen staat in voor de diagnose en de opvolging van volwassen patiënten met een endocrien probleem, dat wil zeggen een aandoening die de afscheiding van een hormoon (overmatige of onvoldoende afscheiding) en/of de klier die het hormoon afscheidt, aantast. De dienst behandelt aandoeningen van de schildklier, de bijschildklieren, de bijnieren, de gonaden (eierstokken en teelballen) en de hypofyse.Sinds 2016 maakt de dienst Endocrinologie van het Erasmusziekenhuis, die voor het pediatrische luik samenwerkt met het Kinderziekenhuis Koningin Fabiola (HUDERF), deel uit van het netwerk ENDO-ERN (European Reference Network for Rare Endocrine Conditions), het Europees Referentienetwerk voor zeldzame endocriene aandoeningen.Dit netwerk heeft als opdracht de toegang tot hoogwaardige zorg voor patiënten met zeldzame endocriene aandoeningen te verbeteren. Het ondersteunt klinisch onderzoek en draagt bij tot de oprichting van registers waarin patiënten die wegens zeldzame aandoeningen worden opgevolgd, worden opgenomen. Zo worden kennisdeling en de verbetering van de klinische praktijk bevorderd. De behandeling en opvolging van zeldzame endocriene aandoeningen is multidisciplinair. Rond complexe casussen worden regelmatig overlegmomenten georganiseerd met talrijke specialisten binnen onze instelling, maar ook tijdens virtuele consultaties met erkende Europese experts via het ENDO-ERN-netwerk of tijdens internationale multidisciplinaire overlegvergaderingen (Frankrijk).Sommige endocriene aandoeningen ontstaan bij de geboorte of tijdens de kindertijd en vereisen levenslang een behandeling en opvolging. Al vele jaren worden transitieconsultaties georganiseerd met onze pediatrische collega’s van het HUDERF, om de overgang van de pediatrie naar de zorg voor volwassenen zo vlot mogelijk te laten verlopen. Wat is hypoparathyreoïdie? Hypoparathyreoïdie en pseudohypoparathyreoïdie (recent ook IPPSD type 2 genoemd, voor “Inactivating PTH/PTHrP Signaling Disorder”) zijn zeldzame aandoeningen van de bijschildklieren. De bijschildklieren zijn 4 kleine klieren die tegen de schildklier aanliggen en het parathyroïdhormoon (PTH) afscheiden, een hormoon dat essentieel is voor de regeling van calcium en fosfor in het lichaam. Deze aandoeningen veroorzaken een daling van het calciumgehalte in het bloed. Deze hypocalciëmie kan, afhankelijk van de ernst en de snelheid waarmee ze ontstaat, een reeks uiteenlopende symptomen veroorzaken: krampen, spierstijfheid, tintelingen in de ledematen, ongewone vermoeidheid, prikkelbaarheid, aandachts- en concentratiestoornissen en convulsies.De aandoening kan vanaf de geboorte of tijdens de kindertijd aanwezig zijn in het kader van een genetisch syndroom, of later in het leven ontstaan, meestal als complicatie van een chirurgische ingreep aan de schildklier (thyreoïdectomie). Pseudohypoparathyreoïdie is een bijzondere en zeer zeldzame vorm van hypoparathyreoïdie die het gevolg is van een genetische mutatie, waardoor het lichaam resistent wordt tegen de werking van het parathyroïdhormoon. Er is geen tekort aan PTH-secretie, maar de mutatie belemmert de werking ervan. De aandoening ontstaat doorgaans tijdens de kindertijd en gaat gepaard met andere hormonale resistenties, meestal tegen schildklierhormonen, maar soms ook tegen groeihormoon of hormonen die betrokken zijn bij de puberteit. Behandeling Meestal wordt de diagnose vermoed op basis van symptomen die wijzen op hypocalciëmie (krampen, tintelingen enz.) en bevestigd door een bloedafname (bepaling van calcium, fosfor, PTH enz.). In de meeste gevallen ontstaat hypoparathyreoïdie bij volwassenen na een thyreoïdectomie. In de andere gevallen is soms een genetische test nodig om erfelijke aandoeningen uit te sluiten en de diagnose en behandeling te sturen. Het doel van de behandeling is om de calcium- en fosforwaarden zo normaal en stabiel mogelijk te houden, om de symptomen te verhelpen en complicaties te voorkomen. De behandeling bestaat doorgaans uit calciumsupplementen en actieve vitamine D, met een individuele dosisaanpassing. Nieuwe moleculen die qua structuur sterk lijken op het parathormoon (= “PTH-analoog”), worden momenteel in klinische studies onderzocht en zijn in sommige Europese landen al in gebruik bij volwassen patiënten.De behandeling is multidisciplinair en omvat endocrinologen, diëtisten (advies over de inname van calcium via de voeding) en, afhankelijk van de situatie, genetici, nefrologen en psychologen. Het doel is de patiënt zo goed mogelijk te begeleiden bij het begrijpen van zijn of haar aandoening en behandeling, en de levenskwaliteit duurzaam te verbeteren. Advies aan patiënten Een goede therapietrouw en regelmatige medische opvolging zijn essentieel. Het is belangrijk het aantal innames en de voorgeschreven dosissen van de supplementen te respecteren en het zorgteam op de hoogte te brengen van elke verandering in de algemene toestand, zoals ongewone vermoeidheid of aanhoudende of terugkerende symptomen van hypocalciëmie. Een evenwichtige voeding draagt eveneens bij tot een goede mineralenbalans. Bij ongebruikelijke acute symptomen (onwel worden, ernstige spasmen, bewustzijnsstoornissen) wordt aangeraden zich onmiddellijk naar de Spoedgevallen te begeven. Bij twijfel blijft het medische team de beste gesprekspartner om de behandeling aan te passen. Zorgtraject File trajet-de-soins.pdf Overgang naar de volwassenheid Tijdens de adolescentie wordt een geleidelijke voorbereiding op de overgang naar de volwassenenzorg georganiseerd. Deze stap helpt de zelfstandigheid van de jonge patiënt te versterken, de continuïteit van de medische opvolging te verzekeren en alle nodige informatie door te geven aan de gespecialiseerde volwassenendienst. De overgang wordt gepland in samenwerking met de patiënt, zijn of haar familie en de pediatrische en volwassenenteams, zijn of haar familie en de pediatrische en volwassenenteams. Focus / Zoeken De patiënten worden behandeld door een erkend endocrinoloog voor volwassenen. De hormoonbepalingen en genetische tests worden uitgevoerd in een gespecialiseerd laboratorium. Er is 24 uur per dag een oproepbare wachtdienst beschikbaar. Ons centrum zet zich actief in voor een betere kennis en zorg voor patiënten met zeldzame endocriene aandoeningen. Er werd een lokaal register opgericht. Binnenkort wordt een Europese ERN-databank voor hypoparathyreoïdie opgezet. Het doel is het ziekteverloop beter te begrijpen, de opvolgingspraktijken te optimaliseren en de behandelingen in verschillende gespecialiseerde centra met elkaar te vergelijken. Het team volgt bijscholing, neemt deel aan congressen en seminaries, start studies op en werkt eraan mee, en publiceert over aandoeningen van de bijschildklier. Het team staat ook in voor opleiding en onderwijs van studenten en artsen in opleiding. Onze specialisten
Hypoparathyreoïdie
Gezondheidsproblemen
Syndroom van Turner
Voorstelling van de dienst De Kliniek voor Endocrinologie bij volwassenen staat in voor de diagnose en opvolging van volwassen patiënten met een endocrien probleem, dat wil zeggen een aandoening die de afscheiding van een hormoon (overmatige of onvoldoende afscheiding) en/of de klier die het hormoon afscheidt, aantast. De dienst behandelt aandoeningen van de schildklier, de bijschildklieren, de bijnieren, de gonaden (eierstokken en teelballen) en de hypofyse.Sinds 2016 maakt de Dienst Endocrinologie van het Erasmusziekenhuis, die voor het pediatrische luik samenwerkt met het Kinderziekenhuis Koningin Fabiola (HUDERF), deel uit van het netwerk ENDO-ERN (European Reference Network for Rare Endocrine Conditions), het Europees referentienetwerk voor zeldzame endocriene aandoeningen.Dit netwerk heeft als opdracht de toegang tot kwaliteitsvolle zorg voor patiënten met zeldzame endocriene aandoeningen te verbeteren. Het ondersteunt klinisch onderzoek en draagt bij tot de oprichting van registers waarin patiënten die worden opgevolgd voor zeldzame aandoeningen, worden opgenomen, om het delen van kennis en de verbetering van de klinische praktijk te bevorderen. De behandeling en opvolging van zeldzame endocriene aandoeningen is multidisciplinair. Rond complexe gevallen worden regelmatig overlegmomenten georganiseerd met talrijke specialisten binnen onze instelling, maar ook tijdens virtuele consultaties met erkende Europese experten via het ENDO-ERN-netwerk of tijdens internationale multidisciplinaire overlegvergaderingen (Frankrijk).Sommige endocriene aandoeningen ontstaan bij de geboorte of tijdens de kindertijd en vereisen levenslange behandeling en opvolging. Al vele jaren worden transitieconsultaties georganiseerd met onze pediatrische collega’s van het HUDERF, om de overgang van de pediatrie naar de zorg voor volwassenen zo vlot mogelijk te laten verlopen. Wat is het syndroom van Turner? Het syndroom van Turner is een genetische aandoening die verband houdt met een afwijking van de geslachtschromosomen. Het komt voor bij ongeveer 25 tot 50 meisjes op 100.000. Het wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van één normaal X-chromosoom en de volledige of gedeeltelijke afwezigheid van het tweede X-chromosoom. Wanneer alle cellen deze afwijking vertonen, spreekt men van monosomie X (45,X). Bij sommige personen is slechts een deel van de cellen aangetast: dit noemt men mozaïcisme. De symptomen van de aandoening kunnen meer of minder uitgesproken zijn naargelang het type chromosomale afwijking, hoewel het karyotype niet altijd toelaat om de ernst van de aandoening of het risico op complicaties op lange termijn te voorspellen.De twee belangrijkste kenmerken van het syndroom van Turner zijn:Een kleine gestalte Een prematuur ovarieel falen, dat verantwoordelijk is voor een vertraagde of afwezige puberteit, amenorroe (uitblijven van de menstruatie) en meestal onvruchtbaarheid.Het syndroom van Turner kan ook gepaard gaan met andere aandoeningen die regelmatige medische opvolging vereisen, met name:Cardiovasculaire afwijkingen (afwijkingen van de hartkleppen, aantasting van de aorta, arteriële hypertensie);Afwijkingen in de vorm van de nierenOvergewicht, obesitas en/of diabetesAuto-immuunziekten zoals auto-immuunthyreoïditis Herhaalde oorontstekingen met blijvend gehoorverliesSommige patiëntes vertonen ook leerstoornissen en visueel-ruimtelijke moeilijkheden.De symptomen van het syndroom verschillen sterk van persoon tot persoon. Sommige patiëntes vertonen weinig klinische symptomen, waardoor een minder intensieve medische opvolging volstaat, terwijl andere hun hele leven multidisciplinaire opvolging nodig hebben. Diagnose De diagnose kan in verschillende levensfasen worden gesteld, afhankelijk van de klinische verschijnselen. De diagnose kan vóór de geboorte worden vermoed tijdens een echografie waarop bepaalde kenmerkende afwijkingen zichtbaar zijn, of dankzij de niet-invasieve prenatale screening (NIPT). De diagnose wordt vervolgens bevestigd door een chromosoomanalyse op een staal van de chorionvlokken of via een vruchtwaterpunctie.Na de geboorte wordt de diagnose meestal vermoed op basis van:Een vertraagde groeisnelheid of een kleine gestalte tijdens de kinderjaren;Een afwezige of vertraagde puberteit tijdens de adolescentie;Een amenorroe of onvruchtbaarheid tijdens de adolescentie of op volwassen leeftijd.Bepaalde lichamelijke kenmerken kunnen in de richting van de diagnose wijzen, zoals de stand van de oren, de haarinplanting, de aanwezigheid van een kortere vinger, de vorm van de ogen en de hals. Deze kenmerken zijn echter niet altijd aanwezig en wijzen vaak minder duidelijk op de diagnose dan afwijkingen in de groei en de puberteitsontwikkeling.Ook herhaalde oorontstekingen, gehoorverlies, leerproblemen of de vaststelling van een hartafwijking kunnen aanleiding geven om de diagnose te vermoeden.De diagnose wordt bevestigd door een karyotype, uitgevoerd op basis van een bloedafname, waaruit de volledige of gedeeltelijke afwezigheid van een X-chromosoom blijkt. Er wordt ook een hormonaal bilan uitgevoerd om de werking van de eierstokken te beoordelen, onder meer door de bepaling van oestradiol en andere hormonen die verband houden met de werking van de eierstokken. Zorgverlening De zorg is multidisciplinair en geïndividualiseerd. Ze omvat onder meer een behandeling met groeihormoon om de uiteindelijke lengte te verbeteren, een hormonale substitutietherapie om de puberteit op gang te brengen en vervolgens te onderhouden, evenals een regelmatige opvolging van cardiovasculaire, endocriene, metabole, auditieve en botcomplicaties. Wanneer er een kinderwens is, worden de patiënten opgevolgd in de fertiliteitskliniek om de verschillende mogelijkheden te bespreken en gepast begeleid te worden.Naargelang de behoeften van elke patiënte kan ook psychologische, neuropsychologische en/of logopedische begeleiding worden aangeboden.De zorg voor het syndroom van Turner berust op een geïndividualiseerde, persoonsgerichte aanpak. Ze omvat:Een gespecialiseerde diagnostische evaluatie (klinisch, hormonaal en genetisch) De opsporing, preventie en behandeling van de geassocieerde complicaties Duidelijke informatie voor de patiënte en haar familieMedische, psychologische en sociale begeleiding gedurende het hele leven, indien nodigNaargelang de behoeften van elke patiënte kunnen de medische opvolging en behandelingen het volgende omvatten:Een hormonale substitutietherapie (oestroprogestativa vanaf de puberteit tot de gebruikelijke menopauzeleeftijd)Een behandeling met groeihormoon tijdens de kinderjaren en de adolescentieEen behandeling met schildklierhormonen bij hypothyreoïdieChirurgische ingrepen wanneer dat nodig is (met name binnen de cardiologie of KNO) Vruchtbaarheidsbehoud wanneer dit aangewezen is Een regelmatige opvolging van de botgezondheid en de metabole en cardiovasculaire gezondheidEen aangepaste behandeling van complicaties die tijdens de opvolging kunnen optreden, zoals obesitas, diabetes, arteriële hypertensie of osteoporose.Het doel is elke patiënte te begeleiden bij het begrijpen van haar aandoening en behandeling, om haar levenskwaliteit op lange termijn te bevorderen. Multidisciplinair team – Hôpital Erasme – H.U.BDe zorg voor het syndroom van Turner berust op een nauwe samenwerking tussen verschillende specialisten:Endocrinologen voor kinderen (van het HUDERF, in het kader van de overgang naar de volwassenenzorg) en volwassenen (Hôpital Erasme);Genetici: Dr Isabelle Vandernoot, Dr Isabelle Migeotte Gynaecologen gespecialiseerd in fertiliteit: Prof. Anne Delbaere, Dr Mélodie Vander Borght, Dr Ozlem Okutman Cardioloog: Prof. Antoine Bondue KNO-arts: Dr Maxime Niesen Psycholoog en neuropsycholoog: Marianne Rotsaert, Dr Hichem Slama Psychiater: Prof. Oswald Pierre, Sociale dienst: Denis StormeSinds 2015 wordt in Hôpital Erasme een Turnerplatform georganiseerd. Patiënten kunnen er op éénzelfde dag verschillende specialisten van het multidisciplinaire team ontmoeten (endocrinoloog, gynaecoloog van de fertiliteitskliniek, cardioloog, KNO-arts en geneticus). Deze organisatie bevordert een gecoördineerde, gepersonaliseerde en volledige zorg tijdens één enkel bezoek. Advies voor patiënten Een goede therapietrouw en regelmatige medische opvolging zijn essentieel. Het is belangrijk om de aanbevelingen met betrekking tot de behandelingen, de screeningsonderzoeken en de opvolging van mogelijke complicaties na te leven.Een evenwichtige voeding en regelmatige lichaamsbeweging helpen het risico op cardiovasculaire en metabole complicaties te verminderen.Een gezondheidspaspoort, specifiek ontworpen voor patiënten met het syndroom van Turner, wordt ter beschikking gesteld. Het bevat aanbevelingen voor de opvolging die zijn afgestemd op de verschillende levensfasen (kindertijd, adolescentie en volwassen leeftijd) en vergemakkelijkt de coördinatie van de zorg.Bij vragen of moeilijkheden blijft het medisch team uw bevoorrechte aanspreekpunt om uw zorgtraject aan te passen. Overgang naar de volwassenheid Tijdens de adolescentie wordt een geleidelijke voorbereiding op de overgang naar de volwassenenzorg georganiseerd. Deze stap helpt de zelfstandigheid van de jonge patiënt te versterken, de continuïteit van de medische opvolging te waarborgen en alle nodige informatie aan de gespecialiseerde volwassenendienst over te dragen. De overgang wordt gepland in samenwerking met de patiënt, zijn/haar familie en de pediatrische en volwassenenteams. Focus: Expertise De patiënten worden behandeld door een erkend endocrinoloog voor volwassenen. De hormoonbepalingen en genetische tests worden uitgevoerd in een gespecialiseerd laboratorium. Er is 24 uur per dag een oproepbare wachtdienst voorzien. Ons centrum zet zich actief in voor de verbetering van de kennis en de zorg voor patiënten met zeldzame endocriene aandoeningen. Er werd een lokaal register opgericht. Het centrum draagt actief bij aan een internationale databank (International Turner Syndrome Registry) voor het syndroom van Turner. Het doel is de aandoening beter te begrijpen, de opvolging te optimaliseren en de behandelingen in verschillende gespecialiseerde centra met elkaar te vergelijken. Het team volgt permanente bijscholing, neemt deel aan congressen en seminaries, initieert studies en werkt eraan mee, en publiceert over aandoeningen van de gonaden. Het team staat ook in voor opleiding en onderwijs van studenten en artsen in opleiding. Onze specialisten
Syndroom van Turner
Gezondheidsproblemen
Uveïtis
Uveïtis: wat is het? Uveïtis omvatten inflammatoire aandoeningen die verschillende structuren van het oog aantasten, waaronder de iris, het corpus ciliare en het vaatvlies, en die één of beide ogen kunnen treffen. Ze kunnen op zichzelf voorkomen of gepaard gaan met een systemische, infectieuze of inflammatoire aandoening. Hun presentatie en verloop kunnen sterk variëren. Gespecialiseerde zorg maakt het mogelijk om de vorm van uveïtis vast te stellen, indien nodig de oorzaak ervan te onderzoeken en de opvolging en behandeling aan te passen om het gezichtsvermogen te behouden en complicaties te beperken. De dienst behandelt ook complexe situaties of situaties waarvoor multidisciplinair advies nodig is. Onderzoeken en diagnose De behandeling berust op een volledige en gestandaardiseerde oogheelkundige evaluatie, waarmee de ontsteking volgens de lokalisatie, activiteit en complicaties ervan kan worden gekarakteriseerd. Het team baseert zich onder meer op de SUN-classificatie- en opvolgingscriteria, evenals op de internationale aanbevelingen van de wetenschappelijke verenigingen die gespecialiseerd zijn in uveïtis. Het etiologisch onderzoek wordt afgestemd op de klinische context en kan bestaan uit laboratoriumonderzoek, beeldvorming en gespecialiseerde adviezen. De behandeling wordt geïndividualiseerd: ze kan bestaan uit lokale of algemene corticotherapie, immunomodulerende of immunosuppressieve behandelingen, evenals behandelingen die gericht zijn op de oogheelkundige complicaties. De behandeling van complexe vormen berust op een nauwe samenwerking met de betrokken specialisten, met name in de interne geneeskunde, reumatologie of infectiologie. De opvolging wordt afgestemd op de ziekteactiviteit en de respons op de behandeling. Behandelingen en technieken Regelmatige opvolging is belangrijk, ook wanneer de symptomen matig zijn, omdat de ontsteking in het begin soms kan evolueren zonder noemenswaardige klachten. Het is aanbevolen om de behandeling en de controleafspraken na te leven en elke vermindering van de gezichtsscherpte, aanzienlijke oogpijn, ongebruikelijke roodheid, het verschijnen van mouches volantes of uitgesproken fotofobie te melden. Een snelle verergering van de symptomen of een aanzienlijke vermindering van het gezichtsvermogen vereist snel oogheelkundig advies. De behandelingen kunnen geleidelijk worden aangepast volgens de activiteit van de ontsteking en de verdraagbaarheid ervan. Bij een systemische behandeling kan de opvolging ook een afstemming met de betrokken specialist vereisen. Zorgtraject Voorgesteld zorgtraject voor patiënten die worden opgevolgd voor uveïtis1. Doorverwijzing naar een gespecialiseerde raadpleging bij vermoeden van of gekende uveïtis.2. Oogheelkundige evaluatie en karakterisering van de ontsteking volgens de SUN-criteria.3. Opsporen van een geassocieerde oorzaak wanneer de klinische context dit rechtvaardigt, met gerichte aanvullende onderzoeken.4. Multidisciplinair overleg wanneer de uveïtis gepaard gaat met een systemische, infectieuze of auto-immuunziekte, of wanneer het om een complexe vorm gaat waarvoor een cortisonesparende behandeling nodig is.5. Opstarten en aanpassen van de behandeling, met opvolging van de inflammatoire activiteit, het gezichtsvermogen en de complicaties.6. Langdurige opvolging en coördinatie tussen de verschillende zorgverleners. Het zorgtraject kan worden aangepast naargelang de leeftijd, de etiologie, de ernst en het verloop van de ziekte. Overgang naar de volwassenheid De overgang naar de volwassenheid berust op een samenwerking tussen de pediatrische en volwassenenteams om de continuïteit van de oogheelkundige opvolging en, indien nodig, van de systemische opvolging te verzekeren. Bijzondere aandacht gaat naar het inzicht in de aandoening, de zelfstandigheid van de jonge patiënt bij het innemen van zijn behandeling en de geleidelijke overdracht van de medische informatie. Afhankelijk van de etiologie en de behoeften van de patiënt kan het contact met de betrokken volwassenenspecialisten worden georganiseerd. Focus / Onderzoek Het centrum draagt bij aan de ontwikkeling van een gestructureerde aanpak rond de kwaliteit van de zorg en het onderzoek naar uveïtis. Er wordt gewerkt aan een Belgisch register voor uveïtis (Belgian Uveitis Registry, BUR), met een retrospectieve pilootfase die in Erasme bij enkele honderden patiënten werd uitgevoerd (UVERA), en met als doel een nationale uitbreiding via REDCap. Dit project heeft onder meer tot doel de verzameling van klinische gegevens en de opvolging van patiënten te standaardiseren. De behandeling is gebaseerd op de SUN-criteria en de internationale aanbevelingen. Het project kadert eveneens in een academische aanpak en in de ontwikkeling van kwaliteitsindicatoren voor uveïtis. Onze specialisten Geassocieerde dienst
Uveïtis
Gezondheidsproblemen
Hypofysaire insufficiëntie
Voorstelling van de dienst De Kliniek voor endocrinologie bij volwassenen staat in voor de diagnose en de opvolging van volwassen patiënten met een endocrien probleem, dat wil zeggen een aandoening die de afscheiding van een hormoon (overmatige of onvoldoende afscheiding) en/of de klier die het hormoon afscheidt, aantast. De dienst behandelt aandoeningen van de schildklier, de bijschildklieren, de bijnieren, de gonaden (eierstokken en teelballen) en de hypofyse.Sinds 2016 maakt de Dienst Endocrinologie van het Erasmusziekenhuis, die voor het pediatrische luik samenwerkt met het Kinderziekenhuis Koningin Fabiola (HUDERF), deel uit van het ENDO-ERN-netwerk (European Reference Network for Rare Endocrine Conditions), het Europees referentienetwerk voor zeldzame endocriene aandoeningen.Dit netwerk heeft als doel de toegang tot kwaliteitsvolle zorg te verbeteren voor patiënten met zeldzame endocriene aandoeningen. Het ondersteunt klinisch onderzoek en draagt bij tot de oprichting van registers waarin patiënten met zeldzame aandoeningen worden opgenomen, om het delen van kennis en de verbetering van de klinische praktijken te bevorderen.De behandeling van zeldzame endocriene aandoeningen is multidisciplinair. Rond complexe gevallen worden regelmatig overlegmomenten georganiseerd met talrijke specialisten binnen onze instelling, maar ook via virtuele consultaties met erkende Europese deskundigen binnen het ENDO-ERN-netwerk of tijdens internationale multidisciplinaire overlegvergaderingen (Frankrijk).Bepaalde endocriene aandoeningen beginnen bij de geboorte of tijdens de kinderjaren en vereisen levenslange behandeling en opvolging. Al vele jaren worden overgangsconsultaties georganiseerd met onze pediatrische collega’s van het HUDERF, om de overgang van de pediatrie naar de zorg voor volwassenen zo vlot mogelijk te laten verlopen.  Wat is hypofyse-insufficiëntie? De hypofyse is een klier ter grootte van een erwt, gelegen aan de basis van de hersenen, achter de neus. Ze is de dirigent van de meeste andere klieren in het lichaam. Ze maakt namelijk verschillende hormonen aan die de afscheiding van andere klieren regelen (schildklier, eierstokken of teelballen, bijnieren). Ze maakt ook het groeihormoon aan en geeft prolactine af, dat een belangrijke rol speelt tijdens de zwangerschap en de borstvoeding, evenals vasopressine, een hormoon dat betrokken is bij de waterhuishouding van het lichaam.Bij sommige mensen werkt de hypofyse gedeeltelijk of helemaal niet, waardoor er een tekort aan hormoonafscheiding ontstaat. Afhankelijk van de betrokken hormonen, hun functies en de leeftijd waarop de insufficiëntie optreedt, kunnen de symptomen bij patiënten variëren: groeiachterstand en/of vertraagde puberteit bij kinderen en adolescenten, vermoeidheid, hypoglykemie, duizeligheid, bloeddrukdaling, buikpijn, misselijkheid, onverklaarbaar gewichtsverlies of onverklaarde gewichtstoename, libidoveranderingen, het uitblijven van de menstruatie, enzovoort. Een tekort aan vasopressine leidt tot een aanzienlijke uitscheiding van water via de nieren; patiënten urineren zowel overdag als ’s nachts zeer veel. Daardoor hebben ze veel dorst en drinken ze veel om dit te compenseren.Hypofyseziekten kunnen het gevolg zijn van aangeboren aandoeningen (een ontwikkelingsstoornis van de klier) die al bij de geboorte aanwezig zijn, maar houden meestal verband met aandoeningen die zich later in het leven ontwikkelen. Deze aandoeningen kunnen tumorgerelateerd zijn (meestal goedaardig), ontstekingsgerelateerd of hemorragisch, en zeldzamer infectieus. Een tekort aan hypofysehormonen kan ook ontstaan na de behandeling van tumoren in dit gebied, door middel van chirurgie en/of radiotherapie.  Diagnose en behandeling Vaak wordt een hypofyseaandoening onderzocht op basis van de klachten van de patiënt (hoofdpijn, braken, hypoglykemische malaise, abnormale gewichtstoename of gewichtsverlies, menstruatiestoornissen, verminderd libido enz.) of in het kader van het onderzoek naar een groeiachterstand of vertraagde puberteit bij kinderen. Hormonale tekorten worden systematisch onderzocht na een operatie of radiotherapie ter hoogte van de hypofyse. Meestal volstaat een eenvoudige bloedafname om de diagnose van hypofyse-insufficiëntie te stellen. Soms zijn echter nog andere, zogenaamde “dynamische” tests nodig om de diagnose te bevestigen: via een infuus wordt een product toegediend om de hormoonafscheiding te stimuleren; bij hypofyse-insufficiëntie zal de concentratie van het betrokken hormoon niet op de gepaste manier stijgen. Deze tests worden ambulant uitgevoerd, meestal gedurende één ochtend, met een gespecialiseerde verpleegkundige, in een daartoe bestemde ruimte in het gebouw van de raadpleging Endocrinologie.  Een magnetische resonantie van de hypofyse vervolledigt het onderzoek om de oorzaak van de insufficiëntie op te sporen. In sommige gevallen wordt ook een genetische analyse voorgesteld, evenals andere biologische of radiologische onderzoeken, afhankelijk van de vermoedelijke oorzaak.Ongeacht de oorzaak van de hypofyse-insufficiëntie wordt een hormonale substitutietherapie voorgesteld. Het ontbrekende hormoon wordt vervangen door dagelijks capsules en/of tabletten in te nemen, met een dosis die wordt aangepast aan de behoeften van elke patiënt (schildklierhormoon, bijnierhormoon = cortisol, geslachtshormonen). Sommige hormonen worden toegediend via een injectie, zoals groeihormoon of testosteron. Vasopressine kan oraal of als neusspray worden toegediend. Wanneer de insufficiëntie een tumorale oorzaak heeft, wordt meestal een operatie voorgesteld, vooral als de tumor groot is en andere complicaties dreigt te veroorzaken.  Advies voor patiënten Het is zeer belangrijk om dagelijks de schildklierhormonen en de bijnierhormonen (cortisone) correct in te nemen. Cortisone is een essentieel hormoon om zich goed en fit te voelen, met een goede bloeddruk en voldoende energie, maar ook om te kunnen reageren op situaties die het lichaam belasten (infectie, koorts, gastro-enteritis, operatie, anesthesie, trauma). De doseringen worden aangepast op basis van de resultaten van de bloedafnames, maar ook op basis van hoe de patiënt zich voelt, zijn of haar ervaringen en het klinisch onderzoek, in het bijzonder voor cortisone (vermoeidheid, gewicht, bloeddruk enz.).De dosis cortisone moet worden verhoogd in situaties die het lichaam belasten. Bij herhaaldelijk braken waardoor een correcte orale inname niet mogelijk is, kan cortisone intramusculair worden toegediend door een familielid of een arts van wacht. In situaties van ernstige stress, zoals een operatie, anesthesie of een ernstige infectie, moet cortisone intraveneus in een hogere dosis worden toegediend. Patiënten met een cortisoltekort en hun familie worden geïnformeerd over de situaties waarin de dosering moet worden verhoogd. Een verpleegkundige toont hun hoe ze indien nodig cortisone intramusculair moeten inspuiten. Ze hebben allemaal een kaart in hun portefeuille waarop hun cortisoltekort en de noodzaak om de dosis bij stress te verhogen, vermeld staan. Ze worden aangemoedigd om deze kaart te tonen aan de artsen die hen behandelen, in het bijzonder bij een operatie of wanneer ze zich op de spoedgevallendienst aanmelden.Groeihormoon wordt dagelijks ’s avonds toegediend via een subcutane injectie, meestal in de buik, met behulp van een pen die in de koelkast moet worden bewaard. De dosis wordt aangepast op basis van de bloedafname en de evolutie van de groei bij het kind. Bij volwassenen speelt het geen rol meer bij de groei, maar het kan de levenskwaliteit verbeteren en een gunstig effect hebben op de lichaamssamenstelling (verhouding tussen vet en spieren).  Overgang naar de volwassenheid Tijdens de adolescentie wordt een geleidelijke voorbereiding op de overgang naar de volwassenenzorg georganiseerd. Deze stap helpt de jonge patiënt om zelfstandiger te worden, de continuïteit van de medische opvolging te verzekeren en alle nodige informatie door te geven aan de gespecialiseerde dienst voor volwassenen. De overgang wordt gepland in samenwerking met de patiënt, zijn familie en de pediatrische en volwassenenteams. Focus: Expertise De patiënten worden behandeld door een erkend endocrinoloog voor volwassenen. De hormonale bepalingen en genetische tests worden uitgevoerd in een gespecialiseerd laboratorium. We werken nauw samen met de dienst Radiologie en Neurochirurgie. De magnetische-resonantiebeeldvorming is van hoge kwaliteit en kan worden aangevuld met functionele beeldvorming (methionine-PET, choline-PET). De neurochirurgen zijn gespecialiseerd in hypofysechirurgie. Patiënten die na hun operatie een aanvullende behandeling nodig hebben, kunnen baat hebben bij een gerichte radiotherapietechniek, de gamma knife, waarover slechts weinig ziekenhuizen in België beschikken.Complexe hypofysecasuïstiek wordt maandelijks besproken tijdens multidisciplinaire vergaderingen met gespecialiseerde neurochirurgen en neuroradiologen. Er is 24 uur per dag een oproepbare wachtdienst beschikbaar. Ons centrum zet zich actief in voor de verbetering van de kennis en de zorg voor patiënten met zeldzame endocriene aandoeningen. Er werd een lokaal register opgericht, dat gegevens aanlevert aan een Europese ERN-databank gewijd aan de hypofyse. Het doel is de opvolgingspraktijken te optimaliseren en de zorg tussen verschillende gespecialiseerde centra te vergelijken.Bijzonder zeldzame en/of complexe casussen worden ook besproken met internationale experts. Het team volgt permanente bijscholing, neemt deel aan congressen en seminaries, initieert en werkt mee aan studies en publiceert over hypofyseproblematiek. Het team staat ook in voor opleiding en onderwijs van studenten en artsen in opleiding.  Onze specialisten
Hypofysaire insufficiëntie
Gezondheidsproblemen
Dysfagie
Wat is dysfagie? Eten, drinken, speeksel doorslikken … handelingen die we elke dag uitvoeren zonder erbij stil te staan. Toch wordt slikken voor sommige mensen moeilijk, pijnlijk of zelfs gevaarlijk. Met dysfagie bedoelen we slikstoornissen, dat wil zeggen moeilijkheden om voedsel, drank of speeksel correct van de mond naar de maag te laten gaan. Dysfagie kan op elke leeftijd optreden en heeft tal van mogelijke oorzaken. Ze kan het gevolg zijn van een neurologische aandoening (neurodegeneratieve aandoening, neuromusculaire aandoening, Cerebrovasculair Accident - CVA), een chirurgische ingreep (KNO, pneumologisch of cardiaal), langdurige intubatie, het ouder worden, bepaalde geneesmiddelen, enzovoort.  Dysfagie mag niet worden gebagatelliseerd: ze kan leiden tot gewichtsverlies, uitdroging of het terechtkomen van voedsel of vloeistoffen in de luchtwegen. Een aangepaste behandeling helpt deze risico’s te beperken en het plezier van eten en drinken zo veel mogelijk te behouden.  Wanneer het probleem zich in de mond of de keel bevindt Dan spreken we van orofaryngeale dysfagie. De persoon kan bijvoorbeeld moeite hebben om het voedsel in de mond voor te bereiden, het slikken op gang te brengen of voedsel en drank naar de slokdarm te laten gaan. Wanneer het probleem lager gelegen is Dan spreken we van oesofageale dysfagie. De persoon kan het gevoel hebben dat het voedsel blijft steken of moeilijk afdaalt tussen de keel en de maag. Dysfagie kan tijdelijk of langdurig zijn. Onthoud: dysfagie is geen op zichzelf staande ziekte. Het is een symptoom of een stoornis die verschillende oorzaken kan hebben.  Wat zijn de symptomen? De symptomen zijn niet altijd dezelfde bij iedereen. Het kan gaan om: Hoesten of zich verslikken tijdens of na het eten of drinken;Tijdens de maaltijden regelmatig de keel moeten schrapen;Een « natte » of hese stem hebben na het slikken;De indruk hebben dat voedsel in de keel of borst blijft steken;Moeite hebben met kauwen;Voedsel lang in de mond houden voordat het wordt doorgeslikt;Veel meer tijd nodig hebben om een maaltijd af te werken;Voedsel of drank langs de mond of soms langs de neus laten ontsnappen;Pijn hebben bij het slikken;Bepaalde voedingsmiddelen of dranken vermijden omdat ze moeilijk door te slikken zijn;Minder drinken of eten dan vroeger;Ongewild gewicht verliezen;Herhaaldelijk een luchtweginfectie of longontsteking doormaken.  Opgelet: soms kan men zich « verslikken » ZONDER te hoesten Van een verslikking is sprake wanneer voedsel, drank of speeksel in de luchtwegen terechtkomt in plaats van in de slokdarm. Soms gebeurt dit zonder hoesten of duidelijke tekenen. Men spreekt dan van een stille verslikking. Daarom kan een medische evaluatie nodig zijn wanneer verschillende tekenen op dysfagie wijzen. Hoe vaak komt dysfagie voor in België? Er is momenteel geen voldoende betrouwbaar nationaal Belgisch cijfer beschikbaar om precies te bepalen hoeveel mensen in België dysfagie hebben. Deze moeilijkheid is niet eigen aan België: internationale studies leveren sterk uiteenlopende resultaten op, afhankelijk van de leeftijd van de onderzochte personen, hun gezondheidstoestand en vooral de manier waarop dysfagie wordt opgespoord of gediagnosticeerd. De Europese aanbevelingen schatten de prevalentie over het algemeen op 10 tot 20 %, maar benadrukken tegelijk dat het bewijsniveau laag is en dat de schattingen variëren naargelang de populaties en de gebruikte definities.  Uit de beschikbare gegevens blijkt niettemin dat dysfagie bijzonder vaak voorkomt bij bepaalde bevolkingsgroepen: Bij thuiswonende ouderen rapporteren studies sterk uiteenlopende schattingen; een recente meta-analyse schat de gepoolde prevalentie op ongeveer 18 %.Bij ouderen die in een woonzorgcentrum wonen, bedraagt de gepoolde prevalentie ongeveer 47 % volgens een meta-analyse.Bij gehospitaliseerde ouderen kan dit oplopen tot ongeveer 38 %, afhankelijk van de gebruikte opsporingsmethode.Na een CVA rapporteren studies bijzonder hoge percentages, waarbij de schattingen sterk variëren naargelang de populaties en evaluatiemethoden. Een meta-analyse vermeldt een prevalentie van 55,4 % bij personen die een CVA hebben doorgemaakt.  Deze cijfers kunnen niet rechtstreeks worden doorgetrokken naar de volledige Belgische bevolking. Ze helpen vooral te begrijpen waarom dysfagie een belangrijk probleem is, met name bij ouderen of personen met bepaalde aandoeningen.  Belangrijkste bronnen voor de cijfers UEG/ESNM, klinische aanbevelingen 2025: algemene prevalentie geschat op 10–20 %, met grote variatie naargelang de definities en populaties. Zhao et al., Prevalence and Methods for Assessment of Oropharyngeal Dysphagia in Older Adults, meta-analyse: 18,39 % bij thuiswonende ouderen, 46,98 % in instellingen en 37,98 % in het ziekenhuis. Dziewas et al./systematische review van zorgomgevingen: 36,5 % in het ziekenhuis, 42,5 % in revalidatie en 50,2 % in woonzorgcentra. Wang et al., wereldwijde meta-analyse: grote variatie naargelang de populaties; 55,4 % bij patiënten die een CVA hebben doorgemaakt in de geïncludeerde studies.  Wat zijn de oorzaken van dysfagie? Dysfagie kan talrijke oorzaken hebben. Ze kan onder meer verband houden met: Een Cerebrovasculair Accident - CVA;De ziekte van Parkinson of andere neurologische aandoeningen;Multiple Sclerose (MS);Bepaalde neuromusculaire aandoeningen;Een neurocognitieve stoornis;Een kanker van de mond, keel of slokdarm;Een heelkundige ingreep of radiotherapie in het hoofd-halsgebied;Bepaalde afwijkingen van de slokdarm;Ernstige kwetsbaarheid of verlies van spierkracht als gevolg van het verouderingsproces.  De oorzaak moet dus geval per geval worden onderzocht.  Hoe wordt dysfagie gediagnosticeerd? De eerste stap bestaat doorgaans uit het luisteren naar de moeilijkheden die de persoon ondervindt en het afnemen van een volledige anamnese: welke voedingsmiddelen leveren problemen op? Wanneer treedt de hoest op? Zijn vloeistoffen moeilijker door te slikken dan vast voedsel? Is er gewichtsverlies of zijn er luchtweginfecties geweest? Is er sprake van verminderde eetlust? Enz.  Een zorgverlener kan vervolgens een grondig motorisch onderzoek van het BLF-gebied uitvoeren, de persoon observeren tijdens het eten en verschillende sliktests afnemen. Afhankelijk van de symptomen en de vermoedelijke oorzaak kunnen aanvullende onderzoeken nodig zijn.Een gespecialiseerde evaluatie Een logopedist gespecialiseerd in slikstoornissen kan beoordelen hoe de persoon kauwt en slikt en de ondervonden moeilijkheden in kaart brengen. Afhankelijk van de oorzaak kunnen ook andere specialisten worden ingeschakeld: huisarts, KNO-arts, gastro-enteroloog, neuroloog, diëtist, kinesitherapeut, verpleegkundige of andere zorgverleners. Meer diepgaande onderzoeken In sommige situaties is het nodig om rechtstreeks te observeren wat er tijdens het slikken gebeurt. Er kunnen met name twee onderzoeken worden uitgevoerd: Videofluoroscopie: een röntgenonderzoek dat wordt uitgevoerd terwijl de persoon verschillende texturen doorslikt;Fiberoptische endoscopische evaluatie van het slikken (FEES): met een kleine flexibele camera kan de keel tijdens het slikken worden geobserveerd.  Deze onderzoeken helpen om beter te begrijpen waarom en op welke plaats het slikken problemen geeft en om de behandeling hierop af te stemmen.   Hoe wordt dysfagie behandeld? Er bestaat geen behandeling die voor iedereen geschikt is. De aanpak hangt af van de oorzaak, het type dysfagie en de mogelijkheden van elke persoon. De doelstelling is tweeledig: het slikken zo veilig en efficiënt mogelijk maken en ervoor zorgen dat de persoon onder de beste omstandigheden kan blijven eten en drinken. Het slikken revalideren De logopedist kan oefeningen en technieken voorstellen om bepaalde bewegingen of bepaalde fasen van het slikken te verbeteren. De logopedist kan ook verschillende strategieën aanleren: de positie van het hoofd aanpassen, de manier waarop een hap of een slok wordt genomen aanpassen, het tempo van de maaltijd vertragen, veilige houdingen aannemen, de textuur van het voedsel aanpassen, … Voeding en dranken aanpassen In bepaalde gevallen is het nodig om tijdelijk of blijvend de textuur van het voedsel of de consistentie van de dranken aan te passen. Sommige voedingsmiddelen kunnen bijvoorbeeld worden gehakt, gemixt of gemakkelijker te kauwen worden gemaakt. Dranken kunnen indien aangewezen ook worden ingedikt. Deze aanpassingen moeten gepersonaliseerd zijn: een textuur die geschikt is voor de ene persoon, is niet noodzakelijk geschikt voor een andere. Het IDDSI-systeem (International Dysphagia Diet Standardisation Initiative) maakt het onder meer mogelijk om een gemeenschappelijke internationale classificatie te gebruiken voor het beschrijven van de textuur van voedingsmiddelen en de consistentie van dranken.  De oorzaak behandelen Wanneer dit mogelijk is, is het ook essentieel om de ziekte of het probleem dat aan de dysfagie ten grondslag ligt, te behandelen. Ondervoeding en uitdroging voorkomen Als de persoon niet meer voldoende kan eten of drinken, kan een diëtist de voedselinname aanpassen en oplossingen voorstellen om voldoende energie en vocht te blijven innemen. In bepaalde situaties kan sondevoeding worden overwogen. Deze beslissing wordt geval per geval genomen, samen met de persoon en het medische team. De aanpak is dus vaak multidisciplinair, waarbij verschillende zorgverleners samenwerken.   Waarom moet dysfagie ernstig worden genomen? Niet-herkende dysfagie of dysfagie die niet goed wordt behandeld, kan verschillende gevolgen hebben: Verslikken → luchtweginfectie Voedingsmiddelen of vloeistoffen kunnen in de luchtwegen terechtkomen en onder meer een aspiratiepneumonie veroorzaken. Moeilijkheden om te eten → ondervoeding De persoon kan geleidelijk de geconsumeerde hoeveelheden verminderen of bepaalde voedingsmiddelen vermijden. Moeilijkheden om te drinken → uitdroging Drinken kan moeilijk of vermoeiend worden, waardoor er onvoldoende vocht wordt ingenomen. Moeilijke maaltijden → verlies van eetplezier Eten kan een bron van ongerustheid, vermoeidheid of sociaal isolement worden.   Wanneer raadpleging aanvragen? Moeite met slikken die terugkeert of aanhoudt, moet met een zorgverlener worden besproken. Het is bijzonder belangrijk om een arts te raadplegen bij: Vaak hoesten of zich verslikken tijdens de maaltijden;Herhaaldelijk het gevoel hebben dat voedsel vastzit;Onverklaard gewichtsverlies;Een aanzienlijke vermindering van de hoeveelheden die worden gegeten of gedronken;Herhaalde luchtweginfecties;Een verandering van de stem na het slikken;Plots ontstane slikproblemen.  Plotselinge moeite met slikken, vooral wanneer dit gepaard gaat met krachtsverlies aan één kant van het lichaam, een spraakstoornis of een scheefstand van de mond, kan een teken zijn van een Cerebrovasculair Accident - CVA en vormt een medische urgentie.  Onze specialisten KNO-dienst: 02/555.37.75 KNO-artsen gespecialiseerd in slikproblemen:  Dr. ROPER NicolasDr. LAURENT Céline  Logopedisten van de dienst NKO:SNEL LorianaLE JEMTEL AlixNEEFS MathildeSEVERIN GéraldineLogopedisten van de dienst Neurologie / Neurorevalidatie:MORALDO LauraEL OMARI RimGUERRY NathalieROLLO COLLURA CostanzaROBERT SophieLogopedisten van het Neuromusculair Referentiecentrum:SNEL LorianaBARY PhilippineDECONDE JulieLogopedisten van de dienst Geriatrie:VAN DER MAREN Anne-SophieBARY PhilippineLogopedist van de dienst Pediatrie:VAN DER MAREN Anne-Sophie   Ontdek onze KNO-dienst Veelgestelde vragen over dysfagie 1. Betekent dysfagie dat ik sowieso zal stikken? Nee. Dysfagie kan verschillende vormen aannemen en de ernst ervan verschilt van persoon tot persoon. Ze kan gewoon een blokkerend gevoel veroorzaken, het moeilijk maken om bepaalde voedingsmiddelen door te slikken of leiden tot verslikken. 2. Is het normaal dat slikken moeilijker wordt naarmate men ouder wordt? Veroudering kan bepaalde functies die betrokken zijn bij het slikken, wijzigen. Maar regelmatig moeite hebben met slikken mag niet als een normaal gevolg van het ouder worden worden beschouwd. Een evaluatie kan helpen om de oorzaak op te sporen en oplossingen voor te stellen. 3. Waarom moet ik hoesten wanneer ik water drink? Hoesten tijdens of vlak na het drinken kan een teken zijn dat de vloeistof niet correct naar de slokdarm gaat. Dit betekent niet noodzakelijk dat u dysfagie heeft, maar als dit vaak voorkomt, bespreekt u dit best met een zorgverlener.   4. Is het mogelijk om dysfagie te hebben zonder te hoesten? Ja. Sommige verslikkingen kunnen stil verlopen, zonder hoesten of duidelijke tekenen.  5. Kan dysfagie verdwijnen? Ja, in bepaalde situaties. Ze kan tijdelijk zijn, met name wanneer ze verband houdt met een acute aandoening of bepaalde behandelingen. In andere gevallen kan ze langer duren en revalidatie of aanpassingen vereisen.  6. Kan men met dysfagie nog normaal eten? Dit hangt af van de situatie. Het doel van de zorg is om de persoon, wanneer dat mogelijk is, verder te laten eten en drinken langs de mond onder aangepaste, veilige omstandigheden. 7. Waarom moeten dranken soms worden ingedikt bij dysfagie? Sommige mensen hebben meer moeite om zeer vloeibare dranken onder controle te houden. In deze situaties kan een aangepaste consistentie helpen om de drank tijdens het slikken beter onder controle te houden. Deze aanpassing moet worden voorgesteld na een gepaste evaluatie.  8. Wie raadplegen bij dysfagie? Verschillende zorgverleners kunnen betrokken zijn: arts, logopedist, diëtist, verpleegkundige, kinesitherapeut, KNO-arts, gastro-enteroloog, neuroloog … De betrokken zorgverlener hangt onder meer af van de oorzaak en de ondervonden moeilijkheden. 9. Kan dysfagie gewichtsverlies veroorzaken? Ja. Slikproblemen kunnen ertoe leiden dat u minder eet, bepaalde voedingsmiddelen vermijdt of de maaltijden aanzienlijk langer laat duren. Dit kan ondervoeding in de hand werken. 10. Wat moet ik doen als ik denk dat ik dysfagie heb? Bespreek dit met uw arts of een andere gezondheidszorgbeoefenaar. Wacht niet tot de problemen ernstig worden, zeker niet als u regelmatig hoest tijdens het eten of drinken, gewicht verliest of herhaaldelijk luchtweginfecties heeft.
Dysfagie
Gezondheidsproblemen
Complicaties bij hemodialyse
Wat is een complicatie van hemodialyse? Hemodialyse is een onmisbare behandeling voor patiënten met ernstig of terminaal nierfalen. Ondanks de vooruitgang in de dialysetechnieken kan hemodialyse gepaard gaan met acute of chronische, soms ernstige complicaties waarvoor gespecialiseerde zorg nodig kan zijn.Deze complicaties kunnen verband houden met de dialysesessie, de vasculaire toegang, de antistollingsbehandelingen, cardiovasculaire en metabole stoornissen of de langdurige blootstelling aan hemodialyse.Sommige complicaties komen vaak voor, andere zijn zeldzaam en complex. De diagnose kan moeilijk zijn bij patiënten met meerdere comorbiditeiten en vereist soms de tussenkomst van verschillende specialismen. Wat zijn de belangrijkste complicaties? Complicaties kunnen optreden tijdens of na een dialysesessie, of geleidelijk ontstaan tijdens de opvolging.Het gaat onder meer om:Hypotensie en andere hemodynamische complicaties tijdens de dialyse;Hydro-elektrolyten- en zuur-base-evenwichtsstoornissen;Cardiovasculaire complicaties;Reacties op de dialysator of het extracorporale circuit;Hemorragische of trombotische complicaties;Infecties in verband met katheters of vasculaire toegangen;Trombosen, stenosen, aneurysma’s of andere complicaties van arterioveneuze fistels;Stoornissen van de mineralen- en botstofwisseling en vasculaire of valvulaire calcificaties;Anemie en ondervoeding;Complicaties als gevolg van langdurige blootstelling aan dialyse, met name β2-microglobulinegerelateerde amyloïdose.Sommige van deze complicaties kunnen leiden tot herhaalde ziekenhuisopnames, het verlies van de vasculaire toegang, een vermindering van de levenskwaliteit of, in de ernstigste gevallen, levensbedreigend zijn. Wanneer moet u een arts raadplegen? Een gespecialiseerde evaluatie is met name nodig in geval van:Herhaalde of slecht verdragen hypotensie tijdens de dialyse;Herhaalde moeilijkheden om de dialysesessies uit te voeren;Aanhoudende of ongebruikelijke bloeding na de dialyse;Disfunctie of trombose van een fistel of katheter;Tekenen van infectie van de vasculaire toegang;Zwelling, pijn of verandering in het uitzicht van de fistel;Cardiovasculaire of neurologische klachten die tijdens of na de sessies optreden;Aanhoudende metabole stoornissen ondanks aanpassing van de behandeling;Onverklaarde gewrichts- of botpijn bij patiënten die al lange tijd dialyse ondergaan;Elke ongebruikelijke of moeilijk te verklaren complicatie. Hoe wordt de diagnose gesteld? De diagnose berust op een volledige klinische en biologische evaluatie, aangepast aan elke situatie.Afhankelijk van de vermoedelijke complicatie kunnen de onderzoeken het volgende omvatten:Een gespecialiseerde klinische en biologische evaluatie;Een analyse van de parameters van de dialysesessie;Een evaluatie van de vasculaire toegang;Een echografie-Doppleronderzoek of gespecialiseerde beeldvorming;Cardiovasculaire onderzoeken;Microbiologische analyses bij een vermoeden van infectie;De evaluatie van de minerale, bot- en voedingsparameters;Gespecialiseerde onderzoeken bij een zeldzame of atypische complicatie.Het doel is om snel de oorzaak van de complicatie vast te stellen, zodat de gepaste behandeling kan worden ingesteld en, wanneer mogelijk, een herhaling ervan kan worden voorkomen. Onze zorgverlening binnen het H.U.B. De behandeling van complexe complicaties van hemodialyse in het U.B.Z. berust op een nauwe samenwerking tussen de teams van Nefrologie en de verschillende betrokken specialismen.Nefrologische expertiseDe nefrologen staan in voor de evaluatie en behandeling van dialysegerelateerde complicaties en voor de aanpassing van de nierfunctievervangende behandeling aan de kenmerken van elke patiënt.Er wordt bijzondere aandacht besteed aan het voorkomen van complicaties en aan het behoud van de vaattoegang, om de kwaliteit en continuïteit van de hemodialysebehandeling te handhaven.Een multidisciplinaire aanpakAfhankelijk van de klinische situatie kan de behandeling de volgende disciplines omvatten:Nefrologie;Vaatchirurgie;Interventionele radiologie;Cardiologie;Infectiologie;Anesthesiologie;Intensieve zorg;Voeding;Interne geneeskunde;Niertransplantatie.Dankzij deze organisatie kunnen complicaties snel worden behandeld en krijgen patiënten gemakkelijker toegang tot gespecialiseerde diagnostische en therapeutische technieken.Bijzondere expertise op het vlak van vaattoegangenDe vaattoegang is een essentieel onderdeel van de hemodialysebehandeling. Het behoud ervan is dan ook een prioriteit.Het U.B.Z. beschikt over een nauwe samenwerking tussen nefrologen, vaatchirurgen en interventionele radiologen, waardoor trombosen, stenosen, infecties en andere complicaties van arterioveneuze fistels en katheters kunnen worden opgespoord en behandeld.Deze aanpak is erop gericht de vaattoegang te behouden en het gebruik van katheters of de aanleg van nieuwe toegangen te beperken.Samenwerking tussen pediatrie en volwassenen en transitieComplicaties van hemodialyse komen ook voor bij kinderen en adolescenten die een nierfunctievervangende behandeling nodig hebben.Binnen het U.B.Z. werken de teams van de Pediatrische Nefrologie van het Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola (HUDERF) en de volwassenennefrologie van het Erasmusziekenhuis samen om de continuïteit van de zorg te verzekeren.Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de overgang van de pediatrische zorg naar de volwassenenzorg. Deze geleidelijke transitie zorgt voor de continuïteit van de opvolging, de overdracht van medische informatie en het stapsgewijs verwerven van zelfstandigheid door de jonge patiënt.Onderzoek en innovatie in het U.B.Z.Het U.B.Z. draagt bij aan de ontwikkeling van kennis op het gebied van chronisch nierfalen, dialyse en de complicaties ervan.Deze activiteit helpt de preventie, diagnose en behandeling van complicaties van hemodialyse te verbeteren en maakt het mogelijk om patiënten, wanneer dit relevant is, toegang te bieden tot klinische onderzoeksprojecten of samenwerkingen met gespecialiseerde centra. Waarom kiezen voor het H.U.B.? Gespecialiseerde expertise in nefrologie en nierfunctievervangende therapie;Behandeling van frequente, zeldzame en complexe complicaties van hemodialyse;Nauwe samenwerking tussen nefrologie, vaatchirurgie en interventionele radiologie;Toegang tot gespecialiseerde technische voorzieningen;Multidisciplinaire aanpak van complexe situaties;Samenwerking tussen pediatrische en volwassen nefrologie;Organisatie van de overgang van patiënten van de pediatrie naar de volwassenenzorg;Samenwerking met het niertransplantatiecentrum;Mogelijkheid tot deelname aan onderzoeksprojecten en expertisenetwerken. Onze specialisten Geassocieerde dienst
Complicaties bij hemodialyse
Gezondheidsproblemen
Complicaties na niertransplantatie
Wat is een complicatie na een niertransplantatie? Een niertransplantatie stelt patiënten met terminaal nierfalen in staat om hun nierfunctie en levenskwaliteit te herstellen. Er is echter een langdurige medische opvolging nodig om de functie van de getransplanteerde nier te behouden en complicaties die na de transplantatie kunnen optreden, te voorkomen of te behandelen.Deze complicaties kunnen verband houden met het immuunsysteem, immunosuppressieve behandelingen, infecties, hart- en vaatziekten of de oorspronkelijke nierziekte. Sommige complicaties kunnen kort na de transplantatie optreden, terwijl andere zich pas meerdere jaren later ontwikkelen.Gespecialiseerde zorg maakt het mogelijk om snel een afwijking op te sporen, de oorzaak ervan te onderzoeken en de behandeling aan te passen om het transplantaat en de algemene gezondheid van de patiënt te beschermen. Wat zijn de belangrijkste complicaties? Complicaties na een niertransplantatie omvatten onder meer:acute of chronische afstoting van de getransplanteerde nier;infecties, waaronder opportunistische infecties als gevolg van immunosuppressie;virale infecties zoals CMV of het BK-virus;complicaties als gevolg van immunosuppressiva;recidief van de oorspronkelijke nierziekte in het transplantaat;cardiovasculaire en metabole complicaties;arteriële hypertensie, diabetes en lipidenstoornissen;hematologische en botcomplicaties;kankers die door immunosuppressie worden bevorderd;urologische of chirurgische complicaties van het transplantaat;een geleidelijke achteruitgang van de transplantaatfunctie, die in sommige gevallen kan leiden tot het verlies van het transplantaat.De behandeling en opvolging van de transplantatiepatiënt berusten dus op een evenwicht tussen voldoende immunosuppressie om afstoting te voorkomen en beperkte immunosuppressie om het risico op infecties, kankers en andere complicaties te verminderen. Wanneer moet u een arts raadplegen? Een gespecialiseerde evaluatie is met name noodzakelijk bij:Een stijging van het creatininegehalte of een onverklaarde vermindering van de functie van het transplantaat;Het optreden of de toename van proteïnurie;Koorts of tekenen van een infectie;Urinaire symptomen of een afname van de diurese;Een onverklaarde stijging van de arteriële bloeddruk;Aanhoudende spijsverteringsstoornissen die de opname van de behandelingen kunnen wijzigen;Bijwerkingen of een vermoeden van toxiciteit van immunosuppressiva;Afwijkende bloedspiegels van anti-afstotingsmedicatie;Vaststelling van een virale infectie, zoals CMV of het BK-virus;Het optreden van een massa, een huidletsel of andere symptomen die kunnen wijzen op een tumorale complicatie.Een wijziging in de functie van de getransplanteerde nier betekent niet noodzakelijk dat er sprake is van afstoting. Een snelle evaluatie maakt het mogelijk om de verschillende mogelijke oorzaken te onderscheiden en de behandeling aan te passen. Hoe wordt de diagnose gesteld? De diagnose berust op regelmatige opvolging en een gespecialiseerde evaluatie van de functie van het transplantaat.Afhankelijk van de situatie kunnen de onderzoeken het volgende omvatten:Een bloedanalyse met bepaling van de nierfunctie;Opsporing en kwantificering van proteïnurie;Bepaling van de immunosuppressiva;Opsporing van virale infecties, met name CMV en BK;Een echografie van het transplantaat en andere beeldvormingsonderzoeken;Opsporing van donorgerichte antistoffen (DSA);Een biopsie van de getransplanteerde nier wanneer dat nodig is;Gespecialiseerde microbiologische, immunologische of genetische onderzoeken, afhankelijk van de context.Een biopsie van het transplantaat kan met name helpen om een afstoting te onderscheiden van andere oorzaken van een verminderde transplantaatfunctie en om de behandeling te sturen. Onze zorgverlening in het H.U.B. De aanpak van complicaties na een niertransplantatie in het U.Z.B. berust op een nauwe samenwerking tussen de teams Nefrologie, Transplantatie en de verschillende specialismen die nodig zijn voor de opvolging van de patiënt.Expertise in nefrologie en transplantatieDe nefrologen staan in voor de langetermijnopvolging van transplantatiepatiënten, de controle van de werking van het transplantaat en de aanpassing van de immunosuppressieve behandeling.Bij een verminderde werking van het transplantaat maakt een snelle evaluatie het mogelijk om de verschillende mogelijke oorzaken te onderzoeken, met name afstoting, een infectie, geneesmiddelentoxiciteit, een herval van de oorspronkelijke nierziekte of een urologische complicatie.Een multidisciplinaire aanpakAfhankelijk van de klinische situatie kunnen verschillende specialisten worden ingeschakeld:Nefrologie;Team voor niertransplantatie;Urologische chirurgie;Infectiologie;Immunologie;Anatomopathologie;Radiologie;Cardiologie;Endocrinologie;Hematologie;Oncologie;Dermatologie;Medische genetica.Dankzij deze multidisciplinaire aanpak kunnen complicaties die zich bij transplantatiepatiënten kunnen voordoen, globaal worden aangepakt.Afstoting van de getransplanteerde nierAfstoting is een reactie van het immuunsysteem van de patiënt tegen de getransplanteerde nier. Dit kan vroegtijdig optreden of meerdere jaren na de transplantatie.Er bestaan verschillende afstotingsmechanismen. Het is essentieel om deze van elkaar te onderscheiden om de juiste behandeling te kiezen.De diagnose berust op de analyse van de nierfunctie, het opsporen van antistoffen tegen de donor, immunologische evaluatie en, wanneer aangewezen, een biopsie van het transplantaat.Een snelle aanpak is essentieel om schade aan het transplantaat te beperken en de werking ervan te behouden.Infecties en complicaties door immunosuppressieImmunosuppressiva verminderen de immuunrespons om afstoting te voorkomen, maar verhogen ook het risico op infecties.Er wordt een specifieke opvolging georganiseerd om bepaalde virale infecties, met name CMV en het BK-virus, vroegtijdig op te sporen. Door een replicatie van het BK-virus vroegtijdig op te sporen, kan de immunosuppressie worden aangepast en het risico op aantasting van het transplantaat worden verminderd.Bacteriële, virale, schimmel- of opportunistische infecties kunnen eveneens een gespecialiseerde aanpak vereisen, in samenwerking met de infectiologen.Complicaties op lange termijnDe opvolging van de transplantatiepatiënt beperkt zich niet tot de controle van het transplantaat.Immunosuppressie en chronische nierziekte kunnen bepaalde complicaties op lange termijn bevorderen, met name hart- en vaatziekten, stofwisselingsstoornissen, botcomplicaties en bepaalde kankers.Daarom wordt een preventieve aanpak opgezet om deze risico's te beperken en de overleving van de patiënt en het transplantaat te verbeteren.Herval van de nierziekte in het transplantaatBepaalde nierziekten kunnen na een transplantatie opnieuw optreden en een progressieve achteruitgang van de werking van het transplantaat veroorzaken.Het risico op herval hangt af van de oorspronkelijke nierziekte. Bij patiënten met een ziekte die kan hervallen, wordt een specifieke opvolging georganiseerd om een vroegtijdige diagnose en een aangepaste aanpak mogelijk te maken.Onderzoek en innovatie in het U.Z.B.Het U.Z.B. draagt actief bij aan de uitbreiding van de kennis op het gebied van niertransplantatie en de complicaties ervan.De teams zijn betrokken bij klinische en translationele onderzoeksprojecten over onder meer de mechanismen van afstoting, de immuunrespons, infecties na transplantatie en complicaties die verband houden met immunosuppressieve behandelingen.Deze activiteiten dragen bij tot een beter inzicht in complicaties na transplantatie en tot de ontwikkeling van nieuwe diagnostische en therapeutische strategieën.Samenwerking tussen pediatrie en volwassenen en transitieEen niertransplantatie kan worden uitgevoerd bij kinderen en adolescenten. Bij de opvolging moet dan rekening worden gehouden met de specifieke aspecten van groei, ontwikkeling, school en de geleidelijke verwerving van zelfstandigheid.Binnen het U.Z.B. werken de teams Pediatrische Nefrologie van het Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola (HUDERF) en Nefrologie voor volwassenen van het Erasmusziekenhuis samen om de continuïteit van de zorg te verzekeren.Voor adolescenten en jongvolwassenen wordt een transitietraject georganiseerd om de overstap naar de teams voor volwassenen geleidelijk voor te bereiden, terwijl een aangepaste opvolging van het transplantaat en de immunosuppressieve behandeling behouden blijft.Dankzij deze organisatie blijft de zorg continu en worden onderbrekingen in de opvolging beperkt tijdens een bijzonder belangrijke levensfase van de getransplanteerde patiënt. Waarom kiezen voor het H.U.B.? Gespecialiseerde expertise in niertransplantatie en langdurige follow-up van transplantatiepatiënten;Behandeling van frequente, zeldzame en complexe complicaties;Toegang tot multidisciplinaire expertise;Nauwe samenwerking tussen nefrologie, transplantatie, chirurgie en andere specialismen;Toegang tot gespecialiseerde immunologische, virologische, radiologische en anatomopathologische onderzoeken;Behandeling van afstoting en complexe dysfuncties van het transplantaat;Expertise in de behandeling van infecties en complicaties die verband houden met immunosuppressie;Behandeling van patiënten met een recidief van hun nierziekte in het transplantaat;Nauwe samenwerking tussen pediatrische en volwassen nefrologie;Organisatie van een pediatrisch-adult transitieparcours;Deelname aan klinische en translationele onderzoeksprojecten. Onze specialisten Geassocieerde dienst
Complicaties na niertransplantatie
Gezondheidsproblemen
Idiopathische gastroparese
Wat is idiopathische gastroparese? Idiopathische gastroparese is een chronische aandoening die wordt gekenmerkt door een vertraagde maaglediging zonder mechanische obstructie, waarbij de precieze oorzaak onbekend blijft. Ze veroorzaakt invaliderende symptomen: misselijkheid, braken, vroegtijdige verzadiging en een opgeblazen gevoel, buikpijn. Diabetes en operaties aan de slokdarm of de maag zijn frequente oorzaken van gastroparese, maar 40% tot 50% van de gevallen wordt als idiopathisch beschouwd (zonder geïdentificeerde oorzaak), hoewel vaak wordt vermoed dat ze een postvirale oorsprong hebben.De behandeling is gericht op het verbeteren van de maaglediging, het beheersen van de symptomen en de voeding, en het verbeteren van de levenskwaliteit van de patiënt.  Diagnose De diagnose wordt gesteld aan de hand van een maagledigingsscintigrafie. De behandeling start met een raadpleging bij een gastro-enteroloog om de ernst van de symptomen, zoals misselijkheid, braken, vroegtijdige verzadiging en gewichtsverlies (klinische GCSI-score), te beoordelen en de voedingstoestand te evalueren.Gastroscopie, medische beeldvorming (CT-scan van de buik): om een mechanische obstructie uit te sluiten.Maagledigingsscintigrafie: sleutelonderzoek om de vertraagde maaglediging te meten. Behandelingen Hygiënisch-dieetmaatregelen : De maaltijden spreiden, vette voedingsmiddelen en onverteerbare vezels beperken.Prokinetische geneesmiddelen : Om de maagcontracties te stimuleren en misselijkheid te verminderen (bv. domperidon).Voedingsondersteuning : Enterale voeding (sondevoeding) bij ernstige ondervoeding. Endoscopische procedure : procedure G-POEM (Gastric Per-Oral Endoscopic Myotomy) om de pylorusspier te ontspannen en de maaglediging te vergemakkelijken bij ernstige symptomen die niet reageren op dieetmaatregelen en prokinetische geneesmiddelen. Opvolging De opvolging omvat verschillende specialisten binnen een multidisciplinair zorgtraject:Gastro-enterologen (specialisten in motiliteitsstoornissen).Voedingsdeskundigen/diëtisten: om de voeding aan te passen (vezel- en vetarm dieet). Overgang naar de volwassenheid De transitie van patiënten die in de pediatrie worden behandeld en opgevolgd, gebeurt tijdens een raadpleging gastro-enterologie, om de nodige opvolging op volwassen leeftijd te voorzien. Onze specialisten Geassocieerde dienst
Idiopathische gastroparese