“Zonder jullie zou ik er niet meer zijn”

Tien jaar na de aanslagen in Brussel wilde Karen Northshield terugkeren naar waar het voor haar allemaal begon: in het ziekenhuis, bij de teams die haar hebben verzorgd, gesteund en gedragen.

De aangrijpende getuigenis van Karen Northshield

Dinsdag 10 maart 2026, in een ongewoon stille aula, leek de tijd stil te staan. Voor de zorgverleners die haar gedurende vier jaar revalidatie hadden begeleid, kwam Karen Northshield haar verhaal vertellen. Niet om wonden open te rijten. Niet om het drama opnieuw te beleven. Maar om te bedanken.

Tien jaar na de aanslagen in Brussel wilde deze overlevende terugkeren naar waar het voor haar allemaal begon: in het ziekenhuis, bij de teams die haar hebben verzorgd, gesteund en gedragen.

“Zonder jullie zou ik vandaag letterlijk niet meer hier zijn.”

In de zaal herkennen velen haar. Sommigen hebben haar geopereerd, anderen hebben haar verzorgd op intensieve zorgen, weer anderen hebben haar begeleid tijdens haar lange revalidatie. Velen steken hun hand op wanneer ze vraagt: “Wie herinnert zich die ochtend nog?”

Dan volgt een tweede gebaar. “En wie herinnert zich dat hij of zij mij verzorgd heeft?”

Opnieuw gaan veel handen de lucht in.

De band is voelbaar.

Het moment waarop alles kantelt

22 maart 2016 had een gewone dag moeten zijn. Of beter: een gelukkige dag. Karen stond op het punt om op vakantie te vertrekken naar de Verenigde Staten om haar familie te bezoeken. Bestemming: Florida. De koffers waren gepakt, de reis gepland.

In de vertrekhal twijfelt ze even: in de rij blijven wachten of een koffie gaan halen. Ze besluit te blijven. Enkele seconden later ontploft er een bom…

Het verhaal vertraagt. De woorden komen in stukjes, alsof ze nog steeds hun gewicht dragen.

De projectie door de lucht. De val, twintig meter verder. De rook, het geschreeuw, de verminkte lichamen. Het onvermogen om te ademen, te bewegen, te roepen. In de zaal vraagt ze iedereen de ogen te sluiten. De stilte wordt bijna verstikkend.

“Stel je voor… daar te liggen… stervend.”

Karen blijft meer dan een uur op de grond van de luchthaven liggen voordat ze wordt geholpen. Zwaar gewond, bewusteloos, tussen leven en dood. Met spoed naar het ziekenhuis gebracht, ondergaat ze urenlange operaties en krijgt ze bijna 33 liter bloed toegediend.

En toch was dat nog maar het begin.

Vier jaar leven in het ziekenhuis

Wanneer Karen zich aan het publiek voorstelt, doet ze dat met een vleugje humor: “Ik denk dat ik mijn klantenkaart hier wel verdiend heb.” Het gelach verlicht even de spanning.

Want wat volgt is duizelingwekkend: bijna 80 dagen op intensieve zorgen, meer dan 60 chirurgische ingrepen, jaren van hospitalisatie en revalidatie.

Daarvoor kende ze de ziekenhuiswereld nauwelijks.

“Het enige medicijn dat ik kende, was Dafalgan.”

De toen 30-jarige vrouw, sportief, coach en topsporter, ziet haar leven plots kantelen. Haar lichaam, dat ze met de grootste discipline had onderhouden, wordt zwaar verminkt door de explosie. Foto’s getuigen daarvan. “Ik keek naar mijn lichaam en dacht: dat ben ik niet.”

Maar wat haar het meest heeft geraakt, was niet alleen de pijn of de opeenvolgende operaties. Het was de nood aan menselijkheid — en soms het gebrek daaraan.

De kracht van een blik

Karen vertelt over de momenten van wachten vóór een operatie. De witte gangen, de kou van de operatiezaal, de angst. En die eenvoudige, bijna kinderlijke behoefte:

“Ik had er gewoon nood aan dat iemand me aankeek en zei dat alles goed zou komen. Zelfs als dat niet waar was.”

Een blik. Een hand om vast te houden. Een verwarmde deken. Kleine gebaren voor wie ze stelt, maar enorm voor wie ze ontvangt.

“Wat voor jullie banaal is, is dat nooit voor de patiënt.”

Ze benadrukt: achter elke routinehandeling, elke bloedafname, elke anesthesie, zit iemand die bang is.

Opnieuw leren rechtstaan

Karen vertelt vervolgens over de eerste pogingen om recht te staan — bijna onwerkelijk. Na maanden in bed, verzwakt, moet ze opnieuw leren wat voor iedereen vanzelfsprekend lijkt: opstaan.

In de zaal vraagt ze de aanwezigen om recht te staan, om haar symbolisch te helpen. Dan glimlacht ze: “Sorry… ik heb de kracht niet.” Iedereen gaat weer zitten. Daarna vraagt ze opnieuw om recht te staan, dit keer met al hun kracht en moed. En zelf komt ze ook overeind, moeizaam, alsof ze de energie wil tonen die een patiënt nodig heeft om vooruit te gaan.

Karen legt uit dat in het begin van haar revalidatie een kinesitherapiesessie van dertig minuten soms… dertig minuten mentale voorbereiding vereiste. De pijn, de vermoeidheid, de misselijkheid, de duizeligheid. En toch, stap voor stap, komt ze weer recht en toont ze een video van de dag waarop ze voor het eerst in maanden opnieuw op haar benen kon staan.

Humor als schild

Tijdens haar getuigenis deelt Karen enkele anekdotes die onverwachte ademruimte brengen. Een doos chocolade met 100% cacao voor de verpleegkundigen — niet te eten. Een paar verschillende schoenen om te kunnen rechtstaan ondanks een korter been. Of haar bijnaam die ze van de verpleegkundigen kreeg: “deugniet”.

“Humor is een dodelijk wapen om het ijs te breken.”

Deze momenten van lichtheid waren essentieel om door te gaan, zegt ze.

Onzichtbare wonden

Tien jaar later zijn de gevolgen er nog steeds. Sommige zichtbaar. Vele onzichtbaar. Karen leeft vandaag met tal van handicaps en komt nog vaak in het ziekenhuis.

Deze vrouw, tegelijk sterk, volhardend en ongelooflijk veerkrachtig, blijft toch uiterst kwetsbaar door het trauma dat ze met zich meedraagt, alsof het gisteren gebeurde. Het lawaai van de explosie, de kracht van de schokgolf, de pijn van de verwondingen, het gevoel van de vlammen, de overtuiging dat ze het niet zou overleven. Maar ook de angst voor elke ingreep, de frustratie bij elke nieuwe aankondiging, de nood aan houvast bij elke nieuwe verdoving. Zelfs een geplande operatie kan vandaag de herinnering aan 22 maart opnieuw oproepen.

“Als je me vandaag ziet glimlachen, vergis je niet: de wonden zijn er nog steeds.”

Opbouwen en vooruitgaan

Toch stopt haar verhaal niet bij de pijn.

De overlevende spreekt ook over de toekomst. Ze droomt nog. Ze schrijft. Ze stelt zichzelf doelen. Haar kinderdroom: ooit deelnemen aan een bodybuildingwedstrijd. Ze denkt ook aan een film die dit verhaal zou vertellen — het hare, maar ook dat van de ziekenhuisteams. Want dit mirakel, zegt ze, is niet alleen het hare.

“Het is het resultaat van een samenwerking tussen jullie en mij. Jullie deskundigheid… en mijn moed.”

Nooit vergeten

De conferentie eindigt zoals ze begon: met grote ingetogenheid. Ze spreekt over de slachtoffers, de families, zij die nooit meer naar huis zijn teruggekeerd. Ze spreekt ook over haar naasten, die altijd aan haar zijde staan. En dan bedankt ze opnieuw de teams.

“In de moeilijkste momenten hebben patiënten vooral nood aan menselijkheid.”

In de zaal glimlachen sommigen. Anderen vegen discreet een traan weg.

Tien jaar na de aanslagen was dit moment geen plechtig eerbetoon, noch een medische lezing. Het was een zeldzaam moment: de ontmoeting tussen een patiënte en tientallen zorgverleners die op een donkere dag in maart 2016 een mirakel hebben verricht.